voor het laatst de rit
dan rijden ze hijgend binnen
vallen stil de laatse adem uit
hun kolenlongen de ontmanteling
het reinigen voor de tocht
schitterend en blinkend in rust
het museum voor de trein wacht
het verleden zit tussen de wielen
geschiedenis van het spoor.
een rit door de gele stad
het platteland waar prehistorie horror lijkt
de lanen treurwilgen en parken
beton in vale mist
landschappen als kindertekeningen
de kramen gekleurd met chinese handel en wandel
bananen door je strot geduwd
hotpot in concurrentie met elkaar
terwijl ze je uitkleden met hun ogen
en denken seks met die ander
het transsyberisch blank wil ook wat
alvorens je stap voor stap
de trappen bereikt en doet
vanaf de maan
een uitkijkpost.
fietsen zonder handen staand op het zadel daag ik je uit me te volgen een beetje overmoedig zul je zeggen, maar ik moet imponeren op het publiek. Anders geen boeter bij de vis. zegt de jonge jongleur uit de circusschool.
klingelende en kletterende kettingen metalen blaadjes klatergoud draaiend in het zonnelicht trillend in de wind een eigen stem die vloeit over de heethoofden die dan samen heupwiegen en schouderschudden in het magisch land van het bling bling.
Het tocht om het hoekje onze gedachten verwaaien zoals bloemblaadjes aan een overrijpe stengel
de teugels moeten los het keurslijf minder strak anders houden we de moed niet onder ons te woord en te vriend Laat de wereld nu maar draaien het wordt misschien toch nog goed in onze hoorbare lijven..